Sluiten

Delphine Lecompte: Gedicht bij 'Het laatste oordeel'

Jheronimus Bosch en werkplaats (+/- 1500/1550), Groeningemuseum

Laatste Oordeel Bosch

Het werk

Op het middenluik verschijnt Christus aan een zondige wereld, bevolkt met groteske personages en naakte figuren die zich misdragen of gemarteld worden. Zoals vaak bij de eigenzinnige Bosch staan ondeugd en zonde centraal. Op de zijluiken zien we de afloop van het Laatste Oordeel: links mogen vrome gelovigen naar een paradijselijke hemel, rechts moeten zondaars naar het hellevuur.

Luister naar een selectie uit het gedicht, voorgelezen door Delphine Lecompte.

Het gedicht: 'Het Laatste Oordeel volgens Delphine en Jeroen'

Jezus komt als een dief in de nacht
Hij is de zoon van de lispelende slachter afkomstig uit Spanje, maar
Hij is ook de zoon van de necrofiele tegellegger, van de broze metselaar, van de harteloze acrobaat,
Van de morose windhondenfokker, van de mystieke chrysantenkweker, van de listige steltloper,
Van de sjamanistische touwslager, van de norse lamaverzorger, van de verdorven sponzenverkoper,
Van de sentimentele walvisvaarder, van de bipolaire garnalenpeller, van de louche televisiepriester,
Van de bijgelovige mandenweefster, van de wulpse bobijnster, en van de gekwelde pijnder
Hij is mijn vader en hij zal me veroordelen omdat ik heb gestolen en kwaadgesproken.

Ik was een zondaar tot en met mijn tweeënveertigste levensjaar
Mijn kameraden waren eveneens zondaars en we copuleerden als bezeten Nijlvaranen
We lieten ons werk in de steek om ons over te geven aan rum, rancune, traagheid, en lust
Ik heb nergens spijt van
Ik vergaap me aan Het Laatste Oordeel van de briljante visionaire kobold Jeroen Bosch
Mijn vader heeft dezelfde voornaam, mijn vader drinkt calvados
En verslindt roodharige schuldbemiddelaressen, alsof dat zo erg is
Jezus komt naast me staan en beweert dat ik in de hel zal vermorzeld worden
Door mismaakte chowchows, huiveringwekkende emoes, en wrede baggeraars.

Ik wuif hem weg, de enige baggeraar die ik ken is melancholisch en allesbehalve wreed
Emoes zijn fantastische fabeldieren die ik soms laat opdraven in de liedjes
Die ik ’s nachts maak wanneer ik hunkerend naar de bedeesde zeepzieder
Lig te woelen in mijn veel te kleine bed terwijl de analfabetische jongenshoer
In mijn douchecel zijn ledematen verminkt met een veel te moderne harpoen
En chowchows? Zijn dat niet die slome klunzige honden met een blauwe tong
Ik was bevriend met een chowchow toen ik acht was
Hij was de hond van de gierige oogarts die het linkeroog van mijn grootvader heeft verbrod
In het vermaledijde jaar 1985
Als dat het juiste woord is, het duivelse woord verbrod.

De hemel lijkt op de hel, maar het heden is de grootste verschrikking
Ik neem mijn oestermes om Het Laatste Oordeel te lijf te gaan
Maar Jezus houdt me tegen, wat goed van hem!
We verlaten het Groeningemuseum en delen een camembertschijf
Op de drempel van een gesloten wekkerwinkel waar je ook vampiermantels,
Batterijen, condooms, boeken over tandziekten, en Mississippi stoomboten kan kopen
Ik hou van Jezus en ik hoop dat hij het de moeite waard blijft vinden om me te verlossen
Vandaag zijn Bosch en deze halve camembertschijf de verlossing.

Het middenpaneel kwelt me: de kloef, de klok, de trechters en de helmen
Maar ook: de akelige kruiperige mensen die zich zonder gêne overgeven
Aan hun feces, hun neurosen, hun driften, hun macabere goestingen, hun perversies
En boven hen zweven de veel te serene engelen, met een licht spottende grijns
Veel te licht om hen van spotternij te kunnen beschuldigen
Maar ik weet dat ze zich verkneukelen, vooral de geheel witte efemere wezens met hun klaroenen
Ik schud het schilderij van me af en zeg tegen Jezus: ‘Ik was een kind zonder trucjes
En zonder listen. Simpel. Ik hield van papegaaien, goochelshows, en outlaws.
Nu ben ik een paria. Ik ben verliefd maar het is goedkoop en seksueel.’

Jezus geeuwt, hij heeft nog honger
Hij vist een half opgegeten broodje tonijnsalade uit een container
Gevuld met geknakte infuusstaanders en afgedankte speelgoedtelefoons
Hij eet het broodje op als een koortsige goudzoeker of als een uitgehongerde pelsjager
Nee als de reus in het sprookje van Klein Duimpje
Klein Duimpje stal de kronen van de reuzendochters en de reus at zijn eigen dochters op
Jezus, je moest je schamen!
Jezus dreigt te stikken maar ik red hem.

Nu lopen we dromerig door de stad
Ik denk aan mijn favoriete pistoolvechter, tandarts, en outlaw: Doc Holliday
Ik denk aan mijn oestermes, ik voel mijn oestermes
Het drukt als een opdringerige erectie tegen mijn sleutelbeen
Ik kan terugkeren naar het Groeningemuseum en Het Laatste Oordeel
Van Bosch alsnog vernietigen, hij zou dit aangemoedigd hebben
Jezus zegt: ‘De wereld zonder mij is niets meer dan een vulgair lunapark,
De prijzen zijn klatergoud en de winnaars zijn zombies zonder ziel en zonder scrupules.
Wil jij een zombie zonder ziel en zonder scrupules zijn?’

Ik weet dat het antwoord nee is, het antwoord is overduidelijk nee
Toch betreed ik verdwaasd en verdoemd een vulgair lunapark
Ik win een pluchen octopus, een mondharmonica, en twee wanstaltige paarse sporthorloges
Jezus is verdwenen, zijn geduld was op
Ik denk aan mijn moeder die eindeloos keizerlijk, corrupt, geil, geduldig, en genadig is
Ze zal de hel verwelkomen en ze zal eeuwig rijden op een kameel met een maanvissmoel.

Delphine Lecompte

Groeningemuseum